Manuël, we zijn weg! 't Is te zeggen: 'k ga meê naar dat Amsterdam.
[1] 't Zal mij plezier doen, dat eens te gaan bezien, dat Holland waar ik al zoo veel heb van hooren spreken, en al die kaaskoppen ook, en 'k ben zeker dat we ons niet zullen embêteeren. Die vereeniging van letterkundigen is wel minder amusant, en ik doe er niet gaarne aan meê; maar enfin, men komt er eens meê onder de menschen, en dat kan geen kwaad. Daarbij, daar is iets te doen voor "Vlaanderen":
Boeken (sympathiek!) uitnoodigen voor 't Julinummer, en voor later
Robbers en
Coenen. Doet
de Meester daar ook aan meê?... En dan, 't beste van al: bezoek bij
Kobe van Looy... — A propos: weet gij niet of
Carel Scharten nog aan 't Handelsblad als Parijsch correspondent verbonden is?
[2] Anders: dat is een plaatseken dat me lijken zou, en 'k zou er niet tegen op zien, om een jaar of zoo naar Parijs te gaan wonen... Maar, o Manuël, er is... een "maar". Gij schrijft: reis-kosten
gratis. Leg mij dat ne keer uit. Ge moet weten: overvloed van duiten heb ik alles behalve; en als zoo'n reis meer dan duzend frank zou kosten, hing ik me nog liever op dan meê te gaan.... — Neen, ernstig gesproken, en de hand op uwen porte-monnaie: hoeveel gaat me dat wel kosten, 't drink-geld aan den garçon inbegrepen? Ik zou dat moeten weten, ziet-de, om mijnen bankier te verwittigen...
We zijn dus weg, 't is te zeggen: op Zondag, 3 Juni, ziet-de mij op 'nen schoonen avond in Antwerpen (of in Cappellen, ad libitum) aan wal stappen. Met een beminnelijken glimlach biedt gij mij een bed aan, opdat ik slape. 's Anderen daags neemt de stoomwagen naar Amsterdam ons op; ik zet mij met mijn aangezicht naar de locomotief (anders word ik ongemakkelijk) en — daar gaat-ie op zijn vier paar raadren. Zonder al te veel staatsie (wij reizen incognito, met een slap hoedje, zonder bagage) stappen wij op 't welgekende perron, waar reeds de brilglazen van
Robbers ons begluren. Aan de photographen die daar staan wordt verboden ons te trekken.
[*] Altijd als eenvoudige stervelingen, gaan we iets eten — ik doe u opmerken dat het over twaalven is — en... wie weet wat het noodlot ons voor 't overige van den dag verbergt?!... Ekcetera voor den Dinsdag, en — den Woensdag doet ge mij 't genoegen, mij tot aan Laethem te vergezellen, waar ik in de armen van
vrouw en
kind mijn ledigen geld-beugel uitstort.