Emmanuel de Bom had zich, onder het pseudoniem Frederik Havelingk, aan een reeks gedichten in vrije versvorm gewaagd, die hij ter beoordeling overmaakte aan Hegenscheidt (brief 272) en Vermeylen (brief 281). De kritiek van beide beoordelaars is opvallend gelijkend; voor Hegenscheidt, zie brief 279). Het gedicht 'Het daghet' wordt door beiden erg geslaagd bevonden. Beiden hebben aanmerkingen over de vorm — of beter vormeloosheid — van de gedichten. Ze raden De Bom aan sonnetten te maken, wat deze laatste blijkbaar ook doet, zij het zonder veel succses, te oordelen naar brief 297. Tenslotte vinden ze beiden dat de inhoud van de gedichten vaak vrij oppervlakkig is, niet doorvoeld genoeg.
Een van de gedichten werd teruggevonden in een notaboekje van De Bom (AMVC, B708/H, 108862). Het wordt hier ter illustratie integraal afgedrukt.
Ik wil er niet op roemen,
Want 'k deed alleen wat moest —
maar weinig zijn zij toch,
die, zóó als ik, den mensch in zich verwonnen,
die aan 't genot des lijfs verzaakten,
en met koud oog, maar kermend hart
langzaam het liefste van hun mensch-zijn
uit zich scheurden; wier keel de tranen slikte
die naar d'oogen welden —
Heelmeesters kerven niet zoo nijdig
in 't zieke vleesch van afgematten lijder,
als 't mijne door mijn eigen hand werd gekastijd.
Het rotte deel uit mij heb ik vergooid,
wel wetend dat 't gezonde lijf,
hersteld, weer bloeien zou in reinheid
maar 't is mij soms of ik, mijzelven heelend,
mij heb verminkt — en 't schijnt me wel,
of 'k nu een mensch ben zonder hart —
Daar, in mijn borst gaapt, rood en zwart,
die aaklig' holte, waar mijn hart eens was.
't Is alles nu zoo ijdel rondom mij,
'k lees niets dan stomheid in de norsche blik,
en nooit trilt weer een vezel in die uitgedoofde borst!
Heb ik dan zóó het leven liefgehad,
en valt mij 't offer dat ik bracht,
zóo zwaar, alsof 'k verloor een duren schat
— en zou 'k nu eeuwig dolen door den nacht?

In hetzelfde notaboekje vinden we nog een losse aantekening:
Fred[erik] Havelingk "vrede aan den zoon der haven"
Deze gedichten van Frederik Havelingk werden nooit gepubliceerd.
Toon volledige brief