LANDEGEM
29 SEPT 1896 11-M
BRUGES
9 SEPT 3-S
Aan den heer
Emm. de Bom,
bij "Jan Breidel en Pieter de Coninc",
in de Breidelstrate, 26,
te Brugge
Emm. de Bom,
bij "Jan Breidel en Pieter de Coninc",
in de Breidelstrate, 26,
te Brugge
Meerendré.
Beste,
Ik zal in Brugge aankomen met den eersten trein. Ik weet niet hoelaat het is. Ge hebt maar eens in den reisgids te zien (Natuurlijk: 1e train ordinaire, lijn van den staat)[1]
Ik wist reeds dat Streuvels kwam.
Gansch uw Karelv[an de Woestijne]
Annotations
[1]
Het is onduidelijk of Van de Woestijne 'staat' of 'stadt' heeft willen schrijven, maar de eerste optie is het meest aannemelijk. Sedert het midden van de jaren 1830 waren in België niet alleen spoorlijnen van en door de staat aangelegd, ook een aantal privé-investeerders hadden daarvoor concessies gekregen. De spoorwegen vormden dus een economisch gemengde sector, waarin de staat wel het overwicht had. Zie Bart van der Herten, België onder stoom. Transport en communicatie tijdens de 19de eeuw (Universitaire Pers Leuven, Leuven, 2004).





