Maar Manuel, beste, ik vind die "don Juan" heel goed,
[1] en uws naams heelemaal niet onwaardig! Ik krijg dat toch voor "Vlaanderen"? — Alleen vind ik (vermits ge mijn oordeel eischt) dat er tusschen de twee deelen (éerst: psychologie van uw held, twéedens: verhaal van het meisje) een licht gebrek aan evenredigheid is. Wat ik verwachtte, is, dat don Juan de hoofdpersoon ware gebleven. Door de historie van 't meisje heen, had ik verkozen zijn ziele-beeld dieper te kunnen doorzien. Nu hoor ik wel hier en daar een woord daar over, en zie ik hem op 't einde huilen, maar... ik ben ingenomen geweest door de historie van 't meisje, dat hoofdpersoon werd; waar die historie, banaal op haar-zelf, toch alleen mocht dienen om de kentering in Ary's voelen aan te toonen en te teekenen.
— Heb ik het mis?...
De kuisch moet dus niet groot zijn: hier en daar een postuurken op zijn plaats stellen...
[*]
Maar weet ge wat mij 't felst gehinderd heeft? 't Is, in uw éersten volzin, dat ge uw "artiest-dandy"... pijpen laat rooken, ook in 't beste gezelschap... Sla hem dat uit zijn smoel, niewaar.....
— Manuël, 'k heb uw brief met vriendelijke inlichtingen ontvangen; óok: al die vroedzame Rotterdammers,
[2] en — ik kan u niet zeggen hoe dankbaar ik u ben. Ook ik hoop wel u eens mijn vriendschap met iets meer dan woorden te zullen kunnen betuigen...
— Denkt ge dat ik eenigszins op die correspondentie zou mogen rekenen? Ik weet niet: ik geloof dat het mijn neus voorbij zal gaan...
En toch zou het me welkom zijn!
Ik heb in Brussel betrekkingen genoeg die me helpen zouden. Voor de kamer heb ik
Anseele,
[3] die in mij iets als een hooger partijgenoot ziet (sic) Mijn kozijn,
De Meulenaere,
[4] de boekhandelaar, kan me bij de bibliothekarissen van al de ministeries binnen leiden, en mijn schoonvader heeft als vriend een oud-pikeur van den koning.
[*] Dus...
En de werkkracht... — Wist ge hoe gemakkelijk ik zulke dingen doe! En een schijn-van-ernst die ik aannemen kan!...
Als al die schoone gaven nu maar niet ongebruikt moeten blijven, en men mij in de Rotte Ct maar wilt! Weet gij al iets van De Meester?
Ik ben vandaag heel moe, heel zwak. Daarom schrijf ik kort, Manuël. Vergeef het me. — Ik ben nog niet genezen, ziet-de... De dokter zegt: nog een week wachten vóor ge aan werken denkt...
Van middag krijg ik hier Prof.
Verriest,
[5] die me uit Leuven komt bezoeken, wetend dat ik ziek ben geweest... Een mensch moet maar eens ziek worden, om te zien hoeveel oprechte vrienden hij heeft.
En ik heb niet te klagen, zulde!
Dag, Nora.
En gij, Manuël, mijne vermagerde vijven
Uw
Karel
Annotations
[1] Uit deze brief lijken we te kunnen opmaken dat De Bom net als Van de Woestijne een verhaal heeft geschreven over Don Juan. Dat verhaal is niet verschenen en evenmin bewaard.
[*] 'Postuurken': klein beeldje.
[2] Wellicht
brief 179, waarbij De Bom blijkbaar ook enkele exemplaren van de
NRC had meegestuurd.
[4] Louis de Meulenaere was niet echt een neef van Van de Woestijne. Hij was een verwant via de grootmoeder van Van de Woestijne langs moeders kant, Melanie de Meulenaere, en had een boekhandel in de Eikstraat in Brussel. De twee 'neven' waren zeker geen vreemden voor elkaar. Tijdens hun huwelijksreis hadden Karel en
zijn bruid De Meulenaere destijds nog een bezoek gebracht.
[*] 'Pikeur': rijmeester.